Logo konvib-312

Please update your Flash Player to view content.

Doorzoek de site

Het weer!

    BIJENTEELT DOORHEEN HET JAAR

Voor de imker start het bijenjaar niet in januari maar in augustus – september, dan maken de bijen zich klaar voor de winter en wordt de basis gelegd voor het nieuwe bijenjaar. Tijdens de winter gaan de bijen in rust. Al van in het vroege voorjaar begint de koningin eitjes te leggen en, als het weer het toelaat, vliegen de werksters uit op zoek naar voedsel. Er komt heel wat nectar binnen en als het meevalt, kan de imker eind mei de eerste honingoogst binnenhalen. In mei – juni is de bevolking in de kast massaal aangegroeid en de bijen maken plannen om aan volksuitbreiding te doen, ze gaan zwermen. Als het volop zomer is, breekt het hoogseizoen voor de bloemen en de bijen aan, er wordt massaal nectar binnen gehaald en begin augustus slingert de imker de zomerhoning. Langzamerhand bereiden de bijen zich voor op de winter. De imker, die hun voorraad afgenomen heeft, moet nu de bijen voederen zodat ze goed te winter doorkomen. Hiermee is de cyclus rond.

Januari

De bijen zijn in rust, ze slapen niet. Ze zitten in een tros om zich warm te houden en ze bewegen zich in de tros om zich te voeden. De koningin legt haar eerste eitjes.

Februari

Tijdens zachte dagen (10°C) komen de bijen buiten om zich te ontlasten en het eerste stuifmeel wordt binnen gehaald.

Maart

Het broednest wordt groter. Het stuifmeel van wilgen en andere voorjaarsbloeiers is een enorme stimulans voor de bijen.

April

Het bijenvolk is in volle ontwikkeling. De fruitbomen en het koolzaad bloeien. De eerste darren komen buiten.

Mei

Het bijenvolk bouwt verder het broednest uit en komt tot zijn hoogtepunt, dat leidt tot zwermplannen. De eerste oogst wordt geslingerd.

Juni

De zwermmaand bij uitstek. De lentebloeiers zijn verdwenen en het is even wachten op de zomerbloeiers. Er is een drachtstilstand.

Juli

De zomer staat in volle bloei. De bijen vliegen volop en halen een grote voorraad binnen.

Augustus

De zomerdracht wordt geslingerd. De darrenslacht begint en een laatste wintervoorraad wordt binnen gehaald. De imker geeft wintervoeding.

September

De inwintering wordt afgerond. De bijen dichten alle gaten en spleten om de warmte binnen te houden.

Oktober

November

December

De bijen gaan eind oktober in een tros samen zitten, de koningin in het midden. De winterrust is ingetreden.


    1.1. INWINTERING

 

    1.1.1. DE ZOMER IS VOORBIJ

 

Eind juli is de bloei van de meeste planten voorbij, ze beginnen zaad te maken en af te rijpen. De bijen hebben dus nog weinig te halen, de drachtperiode is voorbij. Meestal wordt 21 juli vooropgesteld als het einde van de dracht, maar dat is zeer relatief. In sommige regio's hebben we nog in augustus de heide, klavers, luzerne en bloeiende groenbemesters zoals phacelia…

Augustus is de oogstmaand. Ook de imker gaat oogsten en hij neemt de honing af van de bij­en. Een goede imker zal nooit zijn bijen kaalroven. De bijen hebben immers een voor­raad stuifmeel en honing opgeslagen om de winter te kunnen doorkomen, als we dat nu allemaal gaan afnemen, vragen we om moeilijkheden.

 

De bijen bereiden zich voor op de winter:

 

· De darren hebben nu geen enkel nut meer, de werksters bieden hun geen eten meer aan, meer nog, ze worden de toegang tot de kast ontzegd en zonder genade worden ze door het vlieg­gat naar buiten gedreven of doodgestoken: de darrenslacht.F1

· De aanvoer van nectar en stuifmeel vermindert met de dag. De koningin wordt minder aan­geprikkeld en ze gaat minder leggen om in oktober, afhankelijk van het weer, helemaal stil te vallen.

  • Met propolis worden alle tochtspleten en -gaatjes dichtgemetseld.

· De zomerbijen sterven af. De bijen die geboren worden na 15 augustus zijn de winterbijen, die zullen overleven tot de volgende lente. Deze winterbijen leggen in hun lichaam eiwitreserves aan. Het is dus heel belangrijk dat de winterbijen sterk, gezond en in voldoende aantal zijn.

 

    1.1.2. INWINTEREN

 

1.1.2.1. Noodzaak tot inwinteren

 

 Het hoofddoel van het inwinteren is er voor te zorgen dat men in het voorjaar kan beschikken over sterke volken in een goede conditie. De bijen voeren in de winter een voortdurende strijd tegen de koude. Hiervoor moet voldoende geschikt voedsel als brandstof beschikbaar zijn. De imker neemt in het naseizoen de bijen hun honing grotendeels af. Het restant van de honing is dan niet voldoende om de winter door te komen. Daarom gaan wij aan onze bijen winter­voeding geven, opdat ze voldoende voedsel zouden hebben om de winter en het voorjaar door te komen.


1.1.2.2. Wanneer inwinteren?

 

Onmiddellijk na het slingeren gaan wij wintervoeding aanbieden, en dit om twee redenen:

1. Het is belangrijk dat de wintervoeding nog door de zomerbijen opgeslagen wordt. Wacht je tot in september - oktober om te voederen dan zullen de winterbijen dat klusje moeten klaren en verspillen ze heel wat energie, zodat ze verzwakt de winter ingaan.

2. In de winter vormen de bijen een tros op de plaats waar het broed zich tijdens de zomer be­vindt. Als we nu laat in het jaar, wanneer er bijna geen broed meer is, de bijen wintervoeding geven, gaan de bijen hun wintervoorraad steken in de lege cellen waarop ze moeten over­winteren. Laat wintervoeding geven betekent dus: de bijen doen overwinteren op koude sui­kerplaten.

 

1.1.2.3. Hoe inwinteren?

 

F2 Een volk van 20.000 bijen, met 15 kg voer in de raat, een paar ramen deels gevuld met stuifmeel en een restant zomerhoning, heeft ruimte nodig: twee broedkamers. Door te overwinteren op twee rompen en vroegtijdig te voederen, geven we de bijen de kans om hun voorraad opnieuw boven hun broed te stapelen. De koningin wordt verder aangepord om meer te leggen. Bij het gebruik van twee rompen zitten de bijen op ruime afstand van het koude vlieggat en komen ze niet zo gauw in de verleiding om bij een vroeg voorjaarszonnetje of sneeuw de kast ontijdig te verlaten.

Na het afnemen van de zomerhoning controleren we beide broedkamers. Kunstraat die niet volledig is opgebouwd en lege, oude broedramen vervangen we door uitgebouwde raten. In beide broedkamers hangen we geen kantramen (die gaan toch beschimmelen), we vervangen ze door vulblokken (houten blokken in de vorm van een raam). Verder rommelen we niet teveel in de kasten. We gaan ervan uit dat de bijen het beter weten dan wij hoe ze hun huishouding moeten organiseren als voorbereiding op de winterzit. Als wij nu alles onoordeelkundig overhoop halen kan dit soms meer schade berokkenen dan voordeel.

Normaal gezien zit het broed verdeeld over de twee broedbakken, met het meeste broed in de bovenbak, omringd door stuifmeel en honing. Het is wel belangrijk dat er voldoende stuifmeel in de bovenbak zit, want daar legt de koningin in het vroege voorjaar haar eerste eitjes en de nabijheid van stuifmeel is dan zeker gewenst. Tijdens het voederen wordt het broednest naar beneden gedrongen. Het toegediende wintervoedsel wordt opgeslagen in de leeg wordende cellen van het uitlopende broed.

F Als we toch ramen willen verhangen, plaatsen we centraal in de bovenste broedbak drie ramen met broed, ernaast twee stuifmeelramen en verder vullen we aan met uitgebouwde ramen. In de onderste broedbak hangen we de overige ramen met broed en vullen aan met uitgebouwde ramen. Op deze manier is er in de bovenste broedbak voldoende ruimte om het wintervoer op te slaan.

 

Wanneer we in het voorbije seizoen de broedbeperkingmethode (zie 9.8.) toepasten, zit er in de onderste romp vrij veel stuifmeel en in de bovenste romp het meeste broed. Als we beide rompen nu van plaats verwisselen, krijgen we nagenoeg hetzelfde resultaat.

 

1.1.2.4. Aard van het voer

 

In plaats van de afgenomen honing geven we de bijen suiker. Er zijn meerdere mogelijkheden:

  • Kristalsuiker:

o in verpakking van 1 kg, 5 kg

o in winkels voor bijenmateriaal, verpakking van 50 kg, 30 kg...

  • Vloeibare suikers:

In de handel zijn vloeibare suikers te verkrijgen zoals TRIMO BEEenAPISUC.Dat is vloeibare suikersiroop (75%) waarin enkelvoudige suikers opgelost zijn. Daardoor dienen de bijen het minder te verwerken, te inverteren (enzymen toevoegen). De siroop is te koop in handige plastiekbussen van 14 kg. Dit is wel duur en het is niet bewezen dat het beter is dan gewone kristalsuiker.

  • Voederdeeg zoals APIFONDA of FONDABEE is niet geschikt voor wintervoeding, maar voor het bijvoederen in de lente of de zomer. NEKTAPOLL is prikkeldeeg voor het voorjaar.

 

5.1.2.5. Bereiding van suikeroplossing

 

Suikeroplossing maken door koken.

De beste verhouding suiker - water is 3 kg suiker tegenover 2 liter water (verhouding 2: 1 kan ook). Als je minder water toevoegt, is het voor de bijen minder gemakkelijk om de oplossing snel weg te steken. Ze inverteren het veel minder gemakkelijk, ze nemen het niet zo graag op en het is mogelijk dat het kristalliseert in de kasten.

We gaan het best op volgende manier te werk. Eerst het water laten koken in een ketel en dan al roeren de suiker toevoegen. De gehele materie wordt helder en zal niet meer versuikeren bij het afkoelen. We kunnen het vervolgens aftappen in plastieken bussen.

 

 Suikeroplossing in sucapi.

 

F3Een sucapi is een vat met een inhoud van ongeveer 20-30 liter, met daarop een ander gelijkaardig vat. In het onderste vat (vat B) is een centrale opening gemaakt in het deksel. De bodem van het bovenste vat is doorboord met gaatjes van 2 mm. We vullen het bovenste vat met droge suiker tot op ongeveer 5 cm van de bovenrand, daarop gieten we water (zonder op te warmen) tot de suiker volledig onder water staat. Het water zal lang­zaam doorsijpelen en zich verzadigen met suiker tot 66% (verzadigde oplossing). We vullen het vat regelmatig aan met suiker en water (een drietal keer per dag naargelang het doorsijpelt) en de stroop is klaar om aan de bijen gegeven te worden.

Het grote voordeel van deze methode is dat je nooit suiker en water moet afwegen en verwarmen. Als je bijvoorbeeld drie volken hebt, dan zorg je er alleen voor dat je 45 kg droge suiker gebruikt, wil je 15 kg suiker per kast geven.

Opmerking: Suikeroplossing bewaart geen wekenlang, ze zou wel eens kunnen gaan gisten.

 

Hoeveel suiker dienen we toe?

 

Een sterk volk heeft zeker 12 kg suiker nodig, dit is ongeveer 16 liter suikerwater. We moeten er rekening mee houden dat 1 liter suikerwater geen 1 kg suiker betekent. Vooruitziende imkers geven zelfs 15 kg suiker, d.w.z. 20 liter suikerwater. In de lente zetten ze het te veel aan voorraad opzij om die dan later te kunnen gebruiken voor kunst­zwermen of in noodsituaties.

 

Hoe en wanneer voederen?

 

F4 Op het voedergat van de dekplank plaatsen we een voedertoestel. Er zijn heel wat modellen in de handel. De meest gebruikte voederbakken zijn de plastieken bakjes met een inhoud van een 2-tal liter. Imkers die een bijenstand ver van huis hebben gebruiken liever grote voederbakken.

Daags na het slingeren gaan we een eerste maal voederen. Sommigen voederen elke dag, anderen spreiden het meer in de tijd, bijv. om de twee dagen. De klus moet zeker geklaard zijn voor 15 september.

Als het voederen gedaan is, nemen we de scheidingswand in de voederbakken weg, zodat de bijen de voederbak proper kunnen likken. Voor we de voederbakken wegbergen, moeten we ze goed afwassen om schimmelvorming te voorkomen.

 

    1.1.3. ROVERIJ

 

Bijen zijn steeds op zoek naar voedsel en ze hebben wel eens de neiging om voedsel te gaan stelen bij de buren. Roverij kun je het hele jaar door hebben, vooral in drachtloze perioden, maar zeker tijdens het voederen. De rovers vliegen met hangende poten heen en weer voor het vlieggat, en er zijn lijf-aan-lijf gevechten op de vliegplank. Rovers vliegen vaak nog in het halfdonker of bij regenweer. In zeer korte tijd worden de slachtoffers volledig leeggeplunderd. Naast gewone roverij kun je ook stille roverij hebben, de rovers gaan in alle stilte te werk, zonder dat je het opmerkt.

Roverij moet je op de eerste plaats voorkomen:

· kleine en moerloze volken zijn dikwijls het eerste slachtoffer, houd hun vlieggat klein

· voeder ’s avonds als de bijen niet meer rondvliegen

· geen voeder morsen, geen toegang tot voedselvoorraden, want dat leert de bijen op zoek gaan naar voedsel bij de buren.

Als je roverij merkt moet je onmiddellijk ingrijpen:

Bij een beginnende roverij kan het wellicht volstaan om het vlieggat van het geroofde volk in te perken tot een minimum en de aanvliegende bijen te besproeien met water.

Bij echte roverij moeten we drastischer ingrijpen. Het beroofde volk sluiten we een paar dagen op, bodemschuif open, en op de dekplank een bokaal met water boven het voedergat. Het meest afdoende is het rovende volk verplaatsen over een afstand van 5 km.

 

    1.1.4. DE WINTERTROS

 

De bijen zitten in de winter in een tros. Alleen bij warmere dagen vliegen ze nog even uit, in hoofd­zaak om zich te ontdoen van hun uitwerpselen. In de winter zitten ze soms een paar maanden aan een stuk binnen. De fecaliën worden dan opgehoopt in de endeldarm, die zeer sterk kan uitzetten.

Komt er een zachte dag (temp. 10°C) dan hou­den de bijen grote schoonmaak: de reinigings­vlucht. Als er op dat moment in de directe om­geving auto's zijn geparkeerd of wasgoed te drogen hangt, is dat voor de eigenaar minder prettig.

F5 De bijen houden geen winterslaap, maar wel een winterrust. Hun belangrijkste taak in de win­termaanden is: zorgen dat er voldoende warmte in de tros blijft gehandhaafd, een temperatuur van 13-25°C. Men kan zich deze tros voorstellen als een holle bal, met een dikke, in lagen opgebouwde buitenwand. De bijen aan de buitenkant zijn volkomen bewegingloos. Hun ach­terzijde houden zij naar de buitenzijde, het borststuk naar de binnenzijde gericht, zodat de tem­peratuur in de thorax (minimum 13°C) hoger blijft dan in het abdomen (minimum 7°C). Midden in de tros heerst er een temperatuur tussen 20° en 35°C, zelfs wan­neer de buitentemperatuur ver beneden het vriespunt daalt. Een individuele bij valt in coma als de temperatuur daalt tot 6°C en bij 4°C is ze binnen een uur dood.

 

Hoe houden de bijen de temperatuur in de tros op peil?

 

· Door het opnemen en verteren van voedsel. Verteren is langzaam verbranden. Suikers ge­ven weinig onverteerbare resten, dit is belangrijk voor de opeenhoping in de endeldarm.

· Door de tros kleiner te maken naargelang de buitentemperatuur lager wordt. Minder groot oppervlak geeft minder uitstraling van warmte. Zo bezet een volk bij een buitentemperatuur van 15°C zes ramen en bij 5°C drie ramen.

· In de tros veranderen de bijen voortdurend van positie. Die van het centrum verplaatsen zich langzaam naar de buitenmantel en omgekeerd.

· Doordat de bijen zelf in en op lege cellen zitten. In deze cellen is natuurlijk lucht. Aangezien lucht de warmte slecht geleidt, is het warmteverlies minimaal.

 

Voedsel is warmte

 

F6 Wanneer de temperatuur van de tros de onderste grens bereikt (13°C), komt er beweging in de tros. Zij die het dichtst bij de voeding verblijven, bijten de dekseltjes van de provisieka­mertjes open en zuigen zich vol voedsel. Van tong tot tong wordt de honing doorgegeven totdat alle bijen verzadigd zijn. Door het massale verteringsproces ontstaat warmte. Hierdoor komt de temperatuur in de tros weer op 25°C, dan keert de rust terug totdat opnemen van voer weer noodzakelijk wordt. De stukgeknaagde dekseltjes komen op de bodem terecht. Dat noemt men wasmul.

 

De tros verplaatst zich

 

De cellen met voer, waartegen de tros zit, raken natuurlijk leeg, daarom schuift de hele bijen­tros mee naar het voer toe, naar boven en naar achter. Zit het volk tegen de bovenkant aan de achterkant van de kast, dan is dat een waarschuwing voor de imker.

 

Sterfte gedurende de winter

 

In ieder volk sterven gedurende de winter bijen. Velen van ouderdom, anderen omdat ze losge­raakt zijn van de tros. Een getal is moeilijk op te geven, daar dit van vele factoren afhankelijk kan zijn. Enige hon­derden dode bijen is echter niet abnormaal. Bij iedere reinigingsvlucht worden dode bijen uit de woning gesleept. Bij niet al te strenge kou verlaten stervende bijen zelf de kast om buiten de woning dood te gaan.


    1.2. UITWINTERING

 

    1.2.1. JANUARI

 

Het is rustig en stil rond de bijenkasten. De bijentros verplaatst zich en neemt heel weinig voedsel op (nog geen 1 kg).

Houd volledige rust rond de bijen om hen niet uit de tros te drijven. Voorkom dat katten, hon­den, mezen en muizen de bijen komen storen. Stoornis veroorzaakt afkoeling, hoger verbruik aan voorraad, gevaar voor inballen van de koningin en geeft aanleiding tot allerlei ziekten. Oppassen dat bij sneeuwval de vlieggaten niet verstoppen. Als de zon schijnt op sneeuw, lokt dit bijen naar buiten, ze vliegen enthousiast op, verstijven en zijn reddeloos verloren. Tracht dit te voorkomen door de vlieggaten tegen indringende zonnestralen te beschermen door een plank of dakpan voor de vlieggaten te plaatsen. Houd de vlieggaten wel wijd open, want verse lucht is even noodzakelijk als warmte en voedsel.

De moer legt haar eerste eitjes midden in het warmste deel van de tros. Het begin van de leg is zeker ook een kwestie van omstandigheden en erfelijke eigenschappen.

Bijen ontwikkelen zelf hun warmte, maar zorg ervoor dat de stijgende warmte niet door de dekplank ont­snappen kan. Daarom leggen we isolatie, bijv. enkele kranten, boven op de dek­planken.

 

    1.2.2. FEBRUARI

 

Februari heeft meestal enkele zachte dagen. Met de eigenlijke winterrust is het gedaan. De bijen vliegen op de warmste uren van de dag druk op de vroegbloeiers zoals hazelaar, sneeuwklokje en krokus. De moer gaat haar leg geleidelijk opdrijven. De temperatuur loopt in het broednest op tot 35°C. Voedsterbijen komen in actie. De suiker- en stuifmeelvoorraden worden flink aangesproken.

Bijen hebben ook water nodig. Breng in de nabijheid van de kasten een kleine drinkplaats aan. Een teil of bord, half met water gevuld, waarop enkele strootjes, mos of wat hout drijven zodat de bijen niet verdrinken.

De ontlastingsvluchten van de bijen worden talrijker.

Laat je niet verleiden door een warm februarizonnetje om de kasten open te maken. Laat alles maar goed gesloten. Een afkoeling van het broednest is het volk nu zeer nadelig.

Houd de aanvliegplank goed in het oog. Volken die niet thuiskomen met stuifmeel zijn hoogst­waarschijnlijk moerloos of hebben een koningin die het leggen gestaakt heeft. Om vast te stel­len of een volk moerloos is, kun je eens op de kast kloppen. Je luistert met je oor tegen de kast gedrukt en je hoort een fel gegons dat plots ophoudt, wees gerust: de koningin is aanwe­zig. Maar het gegons wordt levendiger, het houdt aan: de bijen huilen omdat ze geen moer hebben! Moerloze volken kan je verenigen met een naburig volk door middel van de krantenmethode.

 

    1.2.3. MAART

 

Een volksspreuk zegt: "Maart heeft twaalf zomerse dagen". Dankbaar zullen de bijen er ge­bruik van maken, maar door plotselinge buien komen soms veel vliegbijen om.

De koningin zal haar leg meer en meer opdrijven naargelang het weer en de voeding die er voorhanden is. Vers stuifmeel is nu van het allerhoogste belang en gelukkig de imker die nu bloeiende wilgen heeft in de directe omgeving.

 

Prikkeldeeg

 

Sommige imkers gaan nu de koningin aanprikkelen door het toedienen van voederdeeg die ze boven op de ramen leggen.

Prikkeldeeg kun je zelf maken: 1 deel gemalen stuifmeel

3 delen sojameel

8 delen suikeroplossing (2: 1)

Prikkeldeeg kun je ook aankopen: Nektapoll (1000 g per verpakking).

Het nut van deze prikkelvoeding wordt ook wel in twijfel getrokken. Het kan zelfs nadelige gevolgen hebben. Door prikkeldeeg neemt de broedaanzet toe. Dat vraagt extra broedver­zorging en daartoe hebben de bijen meer stuifmeel nodig. Hebben ze nu onvoldoende stuif­meelreserves en kunnen de bijen wegens het slecht weer geen vers stuifmeel halen, dan is de broedverzorging ontoereikend en worden de larven met een stuifmeeltekort geconfronteerd.

Wie in het najaar voldoende wintervoeding gegeven heeft en daarbij nog veel voorjaarsbloeiers heeft in de directe omgeving, zal zeker niet moeten aanprikkelen en zal tijd en geld sparen.

 

Bodemplank reinigen

 

Op de bodemplank liggen wel eens dode bijen, stukjes raat, wasmul en condensatievocht. Al­hoewel dit bij varroabodems (bodems met gaasdraad) sterk gereduceerd is. Sterke volken ruimen meestal zelf hun huishouden op, maar bij zwakkere volken kan dit al eens problematisch worden en haarden van ziekten en besmettingen zijn.

Begin maart, bij goed weer, gaan we de bodemplank reinigen.

Zet een reserve bodemplank klaar. Maak met behulp van een ramenheffer de bodem los en neem hem weg. Plaats onmiddellijk de verse bodemplank in de plaats (met twee personen kan dit zeer vlug gaan zonder de kasten te stoten).

Onderzoek nu de weggenomen bodemplank:

· dode bijen: een paar honderd dode bijen op de bodemplank is nog niet verontrustend

· hoeveel gangen wasmul liggen er? = aantal ramen met bijen bezet = grootte van kolonie

· ligt het wasmul tot aan de achterkant van de bodem, dan is het laatste voedsel aangesproken en is noodvoeding geboden

  • er liggen veel honingkristallen: watergebrek
  • wasmotlarven
  • uitwerpselen van muizen

· veel dode bijen, ligt de koningin er niet tussen?

  • ziekteverschijnselen: varroamijten…

Wie werkt met varroabodems kan al deze vaststellingen doen op de schuif die men onderaan de bodem uittrekt. Eenvoudiger kan het niet en men stoort niet eens de bijen.


 Condensatievocht

 

F7In het voorjaar loopt er vaak condensatievocht over de vliegplank, veroorzaakt door het tem­peratuurcontrast: 35°C in het broednest en buiten koude kille temperaturen. Om het condensatiewater gemakkelijker te laten weglopen, laten we de kasten lichtjes voorover hellen. Hoe sterker het volk, hoe meer condensatiewater. Als je condensatievocht uit de kast ziet lopen, mag je zeker zijn dat er een leggende moer is.

 

Een vluchtige blik in het volk

 

In maart houden we zeker nog geen grondig voorjaarsonderzoek. Bij warm weer, het moet minimum 15 °C zijn, kunnen we wel een vluchtige kijk nemen in de kasten.

Na het verwijderen van het deksel leggen we de hand op de dekplank: door de duidelijk voel­bare warmte krijgen we een eerste indruk waar het broednest zich bevindt.

Zijn de bijen rustig (centraal gezeten) en ligt de dekplank keurig vastgekit, dan sluiten we de kast weer. Mocht de dekplank echter los liggen en worden we opgeschrikt door huilende bij­en, dan is het volk vrijwel zeker moerloos.

Sommige imkers krabben nu wat voedsel open om de bijen aan te prikkelen.

In deze periode van het jaar gaan we zeker nooit het broednest veranderen of verplaatsen.

 

Dood volk

 

Een zorgzame imker zal al spoedig vaststellen dat een volk niet meer leeft of dat er nog nau­welijks een paar bijen heen en weer vliegen. Een dood volk moet je onmiddellijk opruimen.

Dat een volk de winter niet overleeft, is in veel gevallen te wijten aan een fout van de imker. Natuurlijk is het zinvol de oorzaak op te sporen. Mogelijkheden:

  • Gebrek aan voer (14% van de wintersterfte!)

· Te laat wintervoeding gegeven: de bijen hadden de kans niet meer om het voer in te dikken en te verzegelen, zodat het voer gegist is.

· Verkeerd voer dat voor de bijen te veel reststoffen bevat, geeft aanleiding tot ontijdige afscheiding van fecaliën (roer), wat in de winterperiode desastreus is. Dit kan het geval zijn bij inwintering op heide- of bladhoning.

· Als het voer buiten het bereik van de tros komt, kan het gebeuren dat de tros zich 's winters langzaam naar één hoek verplaatst en daardoor het contact met de andere hoek verliest. Bij strenge koude verlaten de bijen hun trosverband niet, zodat het voedsel op enkele centimeters afstand al niet meer bereikbaar is. Bij het inwinteren van sterke volken komt dit probleem zelden voor.

· Aantasting door Nosema, een darmziekte, waarvoor een gebrek aan stuifmeel in de vooraf­gaande herfst als oorzaak wordt aangegeven.

· Andere oorzaken: ouderdom, losraken van de tros, verkeerde varroabestrijding of ontijdige vluchten door het zonlicht op de sneeuw.

· De laatste jaren is de wintersterfte sterk toegenomen. De juiste oorzaak is tot nu toe niet eenduidig vast te stellen.


    1.2.4. APRIL

De lente gaat naar haar volle hoogtepunt: bloei van fruitbomen, heesters en voorjaarsbloemen in tuinen, weiden en bossen. En voor wie wil reizen: het koolzaad.

Het is voor de imker een heel belangrijke maand. De bijenbevolking groeit met de dag aan, het is een echte explosie. In april moeten we ruimte geven aan de bijen zodat ze het broednest nog verder kunnen uitbreiden en de binnengehaalde nectar wegstoppen.

Maar laten we eerst eens kijken hoe het eind maart, begin april gesteld is met onze bijen.

 

1.2.4.1. Beruchte eerste april

 

Er wordt wel eens gesproken over de beruchte eerste april. Op dat moment zijn de oude bijen grotendeels uitgestorven, terwijl het aantal jonge bijen nog gering is. Het is dan een kritiek moment waarop de nosema-ziekte kan toeslaan. Verder kunnen de weersomstandigheden daar nog toe bijdragen. Het grafiekje geeft deze situatie nog eens duidelijk weer.

De laatste jaren lijkt ‘de beruchte eerste april’ vaak een paar weken vroeger te vallen.

F8

 

   1.2.4.2. Voorjaarsinspectie

 

Eind maart, begin april doen we een grondig voorjaarsonderzoek, als het weer het toelaat (minstens 15 °C). Nu is er broed in alle stadia aan­wezig: eitjes, larven, poppen. Het volk verkeert in volledige harmonie. Ontbreekt die harmonie, dan is het risico van het inballen van de moer nooit ondenkbaar en dat is in die tijd van het jaar een kwalijke zaak.

Bij het inballen van de moer vormt zich een bal van bijen rond de moer. Zij wordt geheel inge­kapseld en gaat vrijwel altijd ten onder aan zuurstofgebrek en beschadigingen.

Bij het voorjaarsonderzoek stellen zich voldoende vragen, om het openen van de kasten te verant­woorden:

1. Is er een koningin aanwezig en is deze goed aan de leg?

2. Hoeveel ramen bezetten de bijen?

3. Is er voldoende voedselvoorraad?

4. Moeten we ramen vervangen? En zo ja, welke?

 

1. Is er een koningin aanwezig en is deze goed aan de leg?

 

Jonge geselecteerde koninginnen geven doorgaans geen probleem. Dat de koningin goed aan de leg is, zien we aan het broed. Een goed volk heeft midden april 9 à 10 ramen broed. De broedoppervlakken moeten goed aansluiten. Het gesloten broed is mooi egaal verze­geld, zonder te veel open cellen. Veel lege verspreide cellen noemen we hagelschot.

Soms vinden we alleen, onregelmatig verspreid, vrij hoge bolvormige cellen. Dat noemen we bultbroed. De moer is dan darrenbroedig, ze gaat nooit meer bevruchte eieren leg­gen. Ontdekken we bultbroed, dan wordt het volk verenigd met een ander volk of vervangen we de koningin door een reservekoningin (zie 7.3 Verkeerde toestanden).

Vinden we cellen met meerdere eitjes (5-25), die kriskras door elkaar liggen en tegen de wanden van de cel, en vormen de belegde cellen geen aangesloten geheel, dan zijn er eier­leggende werkbijen. De eitjes zijn natuurlijk onbevrucht en het volk is moerloos. Het hermoeren zal hier meestal mislukken. Dergelijke volken worden best afgezwaveld. Het bespaart de imker veel moeite en zorg.

 

2. Hoeveel ramen bezetten de bijen?

 

Deze parameter is belangrijk om de sterkte van het volk te bepalen. Sterke, goed overwinterde bijen bezetten begin april 6-8 ramen, en ook in de onderbak al enkele ramen. Eind april moeten alle ramen bezet zijn.

 

3. Is er voldoende voedselvoorraad?

 

Gezien het voedselgebruik in april fors oploopt, is een reserve van 6 à 8 kg, begin april, geen over­bodige luxe. Nu we de kast openen, kunnen we de voorraad schatten, 1 dm² raatoppervlakte aan bei­de zeiden volledig gevuld, komt overeen met 300 tot 400 g voedsel. Een simplexraam bijvoorbeeld met 6,8 dm², kan dus een goede 2 kg bevatten. Overtol­lige voedselramen vervangen we door opgebouw­de wafels of waswafels. De schikking van de ra­men is dan de volgende:

  • het broednest komt in het midden

· tussen het buitenste broedraam en het stuifmeelraam hangen we een waswafel of een opgewerkt raam

  • de voedselramen komen aan de buitenkant.

4. Moeten we ramen vervangen. En zo ja, welke?

 

We verwijderen oude en beschimmelde ramen en vullen de open gekomen ruimte aan met opgewerkte ramen.

 

1.2.4.3. Ruimte geven

 

Er zijn veel methodes om de bijen ruimte te geven, afhankelijk van het kasttype, de toestand van de kolonie en zeker niet in het minst van de imker zelf met zijn eigen inzichten en gewoonten. Sommigen doen helemaal niets en laten het werk aan de bijen over. Dat leidt wel vaak tot vertraging van ontwikkeling, vroege zwermen, en zwakke of zieke volken die ten onder gaan. Ruimte geven betekent de bijen prikkelen om te werken en het broednest uit te breiden.

 

Hoe gaan we te werk?

 

· We werken aan de bijen in slow motion: niet stoten, geen bruuske bewegingen.

· We tillen de dekplank op en geven een paar wolkjes rook over het volk, niet in de kast. In één oogopslag zien we hoeveel raten het volk bezet.

· We beginnen steeds aan de zijkanten tot aan het broednest, geen broedramen uithalen.

  • Steeds bedachtzaam zijn voor de moer.

 

Een voorbeeld:

 

· Zet de twee rompen opzij op een omgekeerd deksel, los van elkaar.

  • · Vervang de oude vuile bodem door een nieuwe.
  • · Plaats nu de onderste romp op de nieuwe bodem.
  • · Vervang de beschimmelde of zwarte ramen.
  • · Plaats daarop nu de bovenste romp.
  • · Ook hier beschimmelde en zwarte ramen vervangen.

· Langs beide zijden van het broednest vind je een stuifmeelraam. Tussen het      stuifmeelraam en het broed kun je nu een waswafel toevoegen (ten hoogste 2 per volk).

· Heel veel voedselvoorraad? Neem het overtollige voedsel weg en berg het op voor later. Hang opgewerkte ramen in de plaats.

· Geen voedsel genoeg? Bijvoederen met suikeroplossing of voederdeeg (Apifonda of Fonda­bee).

  • · Kast terug sluiten en kastfiche aanvullen.F9         

 

Opmerkingen:

 

· Sommige imkers wisselen de beide rompen om (bovenste naar onder, onderste naar boven) om zo het broednest naar onder te brengen en de bijen te stimuleren om het broednest uit te breiden naar boven.

· Men kan ook beide rompen 180° draaien zodanig dat het voer dat zich tegen de achterwand bevindt, nu vooraan komt. De bijen zoeken contact met het vlieggat en trachten zo vlug mogelijk het onbezette deel in te palmen met broed.

· Naargelang de maand april vordert, kunnen we bij goed weer elke week een nieuwe waswafel naast het broednest hangen. We moeten ervoor zorgen dat de jonge bijen kunnen bouwen: dat voorkomt het zwermen en houdt de bijen vitaal en gezond.

· Bijen hebben warmte nodig, daarom de isolerende afdekking behouden.


1.2.4.4. Honingzolder plaatsen

 

Wanneer moeten we de honingzolder plaatsen? Dat is een vraag die telkens terugkeert. Je mag de honingzolder niet te vroeg plaatsen, anders koelt het broednest te veel af. Als je te lang wacht, gaan de bijen bij gebrek aan ruimte zwermplan­nen smeden.

Plaats de honingzolder wanneer de broedkamers vol bijen zitten. Beginnen ze te bouwen aan de dekplank dan is het meer dan tijd om in te grijpen. Sterke volken hebben vaak al een honingzolder nodig begin april, andere slechts begin mei.Plaats de honingzolder in een periode van gunstig weer. Tussen de broedkamer en de honingzolder leggen we een koninginnenrooster om te beletten dat de koningin in de honingzolder gaat leggen.

Sommige imkers hangen in de honingzolder een paar afgeklopte gesloten broedramen (zonder moer!), zodat de bijen vlugger de honingzolder gaan bezetten. Bij sterke volken die klaar zijn voor de honingzolder is dat zeker niet nodig. Binnen een paar dagen hebben ze de broedkamer ingenomen.

In de honingzolder mogen zeker ook waswafels hangen, de bijen bouwen ze graag op. Een goede methode is afwisselend wasramen en opgewerkte ramen (honingramen van vorig jaar) hangen.

Er bestaan hele en halve honingzolders naargelang het kasttype en de voorkeur van de imker. Halve honingzolders hebben het voordeel dat ze gemakkelijker bezet worden door de bijen, de ruimte is niet zo groot. Honingzolders met hele ramen hebben het voordeel dat er in alle rompen gelijke ramen hangen die je gemakkelijk kunt omwisselen.

 

1.2.4.5. Kastkaart

 

Het is belangrijk dat je alle gegevens van elk volk bijhoudt op een kaart. In de handel zijn er modelkaarten te verkrijgen, maar men kan even goed de gegevens noteren op een bierkaartje.

Belangrijke gegevens te noteren:

- herkomst en leeftijd van de moer, eventueel nummer en kleur van haar merkteken

- informatie over de voorjaarsinspectie, plaatsen van honingzolder, zwermen, honingoogst, inwintering, ziektebestrijding…

- noteer alleen wat belang is voor de toekomst, houd het overzichtelijk

 

Voorbeeld van een kastkaart

 

KONINGIN: geboren op: 01/06/2004 nr.: 15 kleur: groen

ras: Carnica F1

stammoeder: Renson 2003/218

KAST nr.:

3

datum

vaststellingen

opmerkingen

05/07/04

kon. ingevoerd met koninginnenaflegger

 

20/07/04

kon. aanvaard – oude moer verwijderd

nieuwe 5 r. br.

16/08/04

honing afgenomen

25 kg

17/08/04

begin wintervoeding

 

01/09/04

einde wintervoeding

18 liter

10/02/05

condensatievocht – zeer goede vlucht

 

28/03/05

voorjaarscontrole – 8 ramen broed

+ 2 wasramen

08/04/05

+ honingzolder (5 opgewerkte ramen + 5 wasramen)

 

10/04/05

honingzolder bezet

 


    1.3. ZWERMEN

 

    1.3.1. WAT IS ZWERMEN?

 

Het zwermen is een fascinerende en indrukwekkende belevenis die plaats vindt in de maanden mei – juni. Het is een natuurlijk gebeuren in het voortplantingsproces van de bijen. Een bijenvolk moet je beschouwen als één levend wezen, bestaande uit tienduizenden individuen. Het individu is niet van belang, wel het gehele volk. Om zich voort te planten en te vernieuwen, gaat het volk zich splitsen op het moment dat ze met heel velen zijn. Meestal is dat tussen half mei en half juni. De oude koningin verlaat met een deel van het volk op een indrukwekkende wijze de kast zodat er plaats is voor een nieuwe jonge koningin.

 

    1.3.2. DE VOORZWERM

 

F10 Tijdens de lentedracht ontwikkelt een bijenvolk zich verrassend snel. Het merendeel van de bijen is jong en dynamisch en er zijn al honderden darren. De kolonie wordt bijeengehouden door de feromonen van de koningin, maar het volk is nu zodanig uitgebreid dat haar geurstoffen niet meer bij machte zijn om een hele kolonie samen te houden. Een deel van het volk begint zwermplannen te smeden. Ze gaan koninginnencellen of moerdoppen (10 tot 20) optrekken, en laten de koningin er een eitje in leggen. Deze moerdoppen worden in de loop van enkele dagen opgetrokken en belegd zodat de nieuwe koninginnen niet allemaal op dezelfde dag geboren zullen worden. Het larfje in een koninginnencel wordt bijna uitsluitend gevoed met koninginnenbrij, opdat het zou uitgroeien tot een volwaardige koningin.

Van nu af zit de zwermkoorts in de kast en het volk is nog moeilijk op andere gedachten te brengen. De bijen temperen hun haaldrift, en alle werkzaamheden worden op een laag pitje gesteld. De oude moer voelt het aankomen, ze wordt minder gevoed, gaat minder leggen en slankt af zodat ze vliegklaar wordt. Bij het sluiten van de eerste koninginnencel is het ogenblik voor het zwermen aangebroken. De zwermbijen zuigen zich vol met honing en rond het middaguur, bij mooi en voldoende warm weer, barst het spektakel los. Duizenden bijen stormen de kast uit, vloeien als water over de vliegplank en vliegen met een duidelijk herkenbaar geluid in grote cirkels in de lucht. De koningin wordt uit de kast gedreven en vliegt mee met de zwerm. Al heel vlug zoeken de bijen in de directe omgeving een plaats om zich neer te zetten. Meestal is dit in een boom of een struik, maar het kan ook op de grond of op een muur zijn, of om het even wat. De bijen hangen in een tros, vastgehaakt aan elkaar. Ze blijven er vaak enkele uren, soms ook een paar dagen hangen totdat de speurbijen een nieuwe woonst gevonden hebben, om er definitief naar toe te trekken. Dergelijke zwerm met de oude koningin noemen we een voorzwerm. Een voorzwerm bevat ongeveer de helft van het oorspronkelijke volk en is samengesteld uit tweederde huis- en eenderde haalbijen.

 

    1.3.3. ZWERMBEHANDELING

 

 

F11In de natuur zal een zwerm bijen zich een tweede maal verplaatsen wanneer de speurbijen een definitieve woonplaats gevonden hebben. De imker echter kan de zwerm vangen en zelf een nieuwe huisvesting geven.

 

 Een zwerm vangen die aan een laagzittende tak hangt, is zeker niet zo moeilijk. Wanneer de bijen tot rust gekomen zijn, besproei je lichtjes de tros met een bloemspuit zodat hij goed samenhoudt. Houd een schepkorf of een plastieken emmer onder de tros en geef een forse ruk aan de tak waaraan de tros hangt. Het overgrote merendeel van de bijen, en hopelijk ook de koningin, valt in de korf. Dan plaats je de korf op de grond in de directe nabijheid. Schuif een steen of een stuk hout onder de korf zodat de bijen er goed in en uit kunnen. Als de koningin zich in de korf bevindt, wat meestal het geval is, zullen in een kwartiertje tijd alle bijen in de korf trekken. Als je bijen ziet stertselen (feromonen verspreiden) voor de korf, is dit een teken dat de koningin aanwezig is. Zit de koningin niet in de korf, dan zullen de bijen een nieuwe tros vormen en moet je opnieuw beginnen.

 

F12Een zwerm vangen die op moeilijke plaatsen zit, kan wel eens voor problemen zorgen. Als hij bijvoorbeeld op een stam van een boom of op een staak zit, moet je hem scheppen of vegen in de schepkorf. Imkers zijn soms vindingrijk om een haast onbereikbare zwerm toch te kunnen vangen. Een doeltreffende methode is een raampje met open broed nemen (zonder bijen) en dat tegen de zwerm houden. Dat werkt als een magneet en weldra hangt de hele zwerm aan het broedraampje.

 

 Eenmaal de zwerm gevangen, mag je hem niet onmiddellijk in een nieuwe kast huisvesten, de kans is dan enorm groot dat de bijen binnen de kortste keren opnieuw de lucht ingaan. Laat de zwerm ter plaatse staan tot in de late namiddag of de vroege avond. Dan is het ogenblik gekomen om de bijen een nieuwe huisvesting te geven. Een zwerm zal zich volledig heroriënteren: je mag hem om het even waar neerzetten, de bijen blijven bij hun koningin.

 

Vooraf maken we een kast klaar waarin we de zwerm zullen huisvesten. Een zwerm heeft voldoende bouwbijen mee, we moeten ze de gelegenheid geven om te kunnen bouwen. Daarom is het best om in de kast alleen verse waswafels te hangen, een paar opgewerkte ramen in het midden van de kast mag wel, maar hoeft zeker niet. Eenmaal de kast klaar gezet op de definitieve plaats, neem je de korf met de zwerm en je klopt die met een stevige stoot in de nieuwe woning. De bijen trekken in de kast en de opvliegende bijen zullen weldra ook volgen. Beperk het gebruik van rook, desnoods wat water vernevelen. Nog eventjes wachten en de dekplank mag erop.

 

F13We mogen de eerste drie dagen de zwerm niet voederen of anders lopen we het gevaar dat de zwerm weer vertrekt. Trouwens de bijen hebben zelf voedsel mee voor drie dagen. Vanaf de vierde dag plaatsen we een voederbak en geven om de twee dagen een bakje van 2 liter suikeroplossing 1:1. In totaal geef je een achttal liter. Na een tiental dagen zijn alle ramen uitgebouwd en vind je broed in alle stadia. De eventueel niet-opgewerkte ramen kun je dan vervangen door opgewerkte, of indien de zwerm klein is, door vulblokken.

 

    1.3.4. DE NAZWERM

 

In normale omstandigheden wordt een week (het kan ook vroeger) nadat de voorzwerm is afgekomen, de eerste nieuwe koningin geboren. Ze knaagt het dekseltje van haar cel open, kruipt eruit, begeeft zich onmiddellijk tussen de werksters en snoept wat honing. De nieuwe koningin wil haar aanwezigheid laten opmerken, en ze laat af en toe een typisch geluid horen, ze gaat tuten. Dat klinkt net zoals de bezettoon van een telefoon, maar dan iets hoger. Enkele uren later is er een andere nieuwe koningin volgroeid, maar zij blijft wijselijk in haar cel. Ze beantwoordt wel het roepen van de eerste koningin, maar omdat ze nog in haar cel zit, klinkt haar roepen doffer, daarom heten we dat kwaken. Op een stille avond is het tuten en het kwaken duidelijk hoorbaar, zeker als de imker zijn oor te luisteren legt tegen de kastwand.

Als je het tuten en kwaken hoort, betekent dit dat de bijen opnieuw zullen gaan zwermen. De rondlopende koningin zal plaats maken en samen met een deel van het volk gaan zwermen. Dergelijke zwerm noemen we een nazwerm. Een nazwerm zal meestal verder van de kast gaan hangen en vaak vliegt die ook hoger. Hij heeft immers een jonge, dartele koningin mee. In een nazwerm zitten vaak meerdere jonge maagdelijke koninginnen, die dan een machtsstrijd onder elkaar uitvechten.

Soms kan er nog een tweede en een derde nazwerm afkomen, en er kunnen ook meerdere kleine nazwermen terzelfder tijd afkomen. Wanneer de zwermdrang uit het volk verdwenen is, bijten de bijen een gat in de zijwand van de resterende moerdoppen en ze trekken de poppen eruit of de rondlopende koningin steekt de andere koninginnen dood.

Indien de weersomstandigheden zo ongunstig zijn dat de bijen absoluut niet kunnen zwermen, zullen de koninginnen het op leven of dood onder elkaar uitvechten wie de heersende koningin wordt.

Nazwermen verzwakken de volken. Daarom zal de imker van zodra hij het tuten en het kwaken hoort, ingrijpen. Nog dezelfde avond opent hij de kast waarin hij een tutende koningin hoort, en hij breekt alle resterende doppen uit. Om geen doppen te vergeten, klop je best alle bijen van de ramen af. Bij het breken van doppen kunnen er eventueel nog koninginnen uitkomen. Deze mag je gerust in het volk laten uitlopen. In de komende nacht zullen de koninginnen het uitvechten. De sterkste zal overleven.

Een nazwerm wordt op dezelfde wijze behandeld als een voorzwerm. Een nazwerm is wel kleiner dan een voorzwerm en het zal zeker na het vangen van de zwerm een tiental dagen duren vooraleer de koningin bevrucht en aan de leg is.

 

    1.3.5. DE BRUIDSZWERM

 

Het kan gebeuren dat een jonge koningin die op oriënterings- of bruidsvlucht gaat, vergezeld wordt van een groot aantal bijen die nog zwermdriftig zijn. Ze vormen een echte zwerm en keren niet meer terug naar de kast. Dergelijke zwerm noemen we een bruidszwerm. Meestal gaat een bruidszwerm verloren voor de imker.

Het achterblijvende volk in de kast is hopeloos moerloos. Het heeft geen moerdoppen meer en ook geen open broed waaruit de bijen nog nieuwe moeren kunnen kweken. Op de duur gaan enkele werksters eieren leggen en krijgen we bultbroed met alle gevolgen van dien. De imker kan dit voorkomen door zo spoedig mogelijk een nieuwe koningin in te voeren.

 

    1.3.6. STILLE MOERWISSELING

 

Uitzonderlijk gaan sommige volken aan moerwisseling doen zonder te zwermen. Vaak verloopt dergelijke moerwisseling onopgemerkt. De bijen trekken slechts een heel klein aantal moercellen op, soms maar één. Er is geen zwermdrift aanwezig en de oude moer legt voort. Het gebeurt zelfs dat de jonge moer al aan de leg is terwijl de oude moer ook nog haar legactiviteit verder zet. Na verloop van tijd zal de oude moer toch aan de deur gezet worden door de bijen. De jonge moer neemt volledig haar taken over.

 

    1.3.7. ZWERMVOORKOMING

 

Zwermen is een heel natuurlijk proces en het heeft zeker enkele voordelen.

· Het is een zeer eenvoudige methode om aan volksuitbreiding te doen en voor een beginnende imker is een zwerm een gemakkelijke basis om te starten.

· Een natuurlijke zwerm is een harmonisch volk dat vlug ontwikkelt en in een zeer korte tijd raten opbouwt.

· De nieuwe koninginnen zijn in ideale omstandigheden opgekweekt. Men kan ook moercellen gebruiken om aan koninginnenteelt te doen.

· Zwermen kun je zonder problemen verenigen om er een sterk haalvolk van te maken.

· Een methode om een zwerm in een korte tijd te laten uitgroeien tot een drachtvolk, vind je in het hoofdstuk “Bedrijfsmethoden” (9.7.).

En toch gaan we proberen om het zwermen zoveel mogelijk te beperken, want zwermen heeft ook wel wat gevaren en nadelen.

· Zwermen komen op een onverwacht moment af. De imker moet voortdurend over zijn bijen waken. Iets wat heel tijdrovend is en bijna onmogelijk.

· Er komen veel zwermen af zonder dat de imker het merkt. Veel zwermen gaan verloren.

· Zwermen kunnen de hele buurt overhoop zetten. En beter een goede buur dan een rustverstorende zwerm…

· Door het zwermen wordt het volk opgedeeld, wat zich zeker vertaalt in honingverlies.

· Zwermlustige volken zwermen het meest. Door het voorttelen met zwermen ga je dus deze neigingen verder kweken.

· Vreemde zwermen kunnen allerlei ziekten hebben of minder goede erfelijke eigenschappen, zoals agressiviteit.

Meestal wegen de voordelen niet op tegen de nadelen en daarom zullen we proberen zwermen te voorkomen of uit te stellen, maar ze helemaal verhinderen is vaak onbegonnen werk.

 

Zwermvoorkoming

 

· In de maand mei gaat de uitbreiding van het volk pijlsnel omhoog en er is een overvloed aan jonge bijen die maar al te graag was zweten en raten bouwen. We geven de bijen dan ook om de week één of twee wasramen, ze zullen ze onmiddellijk optrekken. Staken de bijen met bouwen, dan smeden ze zwermplannen.

  • · We moeten de bijen ook ruimte geven door op tijd de broedbak uit te breiden en de honingzolder te plaatsen.
  • · We houden jonge koninginnen. Koninginnen van meer dan twee jaar oud produceren minder feromonen. Dat heeft tot gevolg dat het volk niet langer een eenheid vormt en vlugger zal gaan zwermen. Volken met jonge moeren zijn minder zwermlustig.
  • · We houden bijen die zwermtraag zijn. De erfelijke factoren van het bijenras spelen een belangrijke rol. Het ene bijenras is veel zwermlustiger dan het andere.
  • · Vooraleer de zwermdrift er is, maken we een kunstzwerm. We nemen een hoeveelheid bijen en broedramen weg zodat het volk verzwakt wordt en geen zwermplannen meer zal maken. Hoe dat allemaal in zijn werk gaat, behandelen we in het hoofdstuk “Bedrijfsmethoden” (veger, vlieger, broedaflegger, koninginnenaflegger).
  • · We zorgen ervoor dat de bijen geen tekort hebben aan voedsel. Voedselgebrek midden in de zomer kan tot gevolg hebben dat een volledig volk gaat zwermen op zoek naar voedsel. Een dergelijke zwerm heten we een hongerzwerm.
  • F14· Aan de rand van het broednest hangen we een driedelig controleraam waarin we twee verticale latjes monteren, zodat we drie gelijke delen krijgen. We smelten er geen was in. In dergelijk vrij raam zullen de bijen darrenraat optrekken. Indien ze het controleraam niet meer opbouwen, is dit een aanwijzing dat ze zwermneigingen hebben en moeten we controleren op zwermdoppen. Met een driedelig controleraam laten we de bijen continu darrenraat optrekken en krijgen we een permanente zwermcontrole. Tevens doen we aan varroabestrijding door iedere week de raat met gesloten darrenbroed uit te breken. In darrenbroed zit er immers zesmaal zoveel varroa dan in werksterbroed.

 

 

Werkwijze :

 

Week 1: We hangen het controleraam zonder was naast het broednest.

Week 2: Het raam is volledig opgebouwd en zelfs al belegd. We snijden nu de tweede en de derde darrenraat weg.

Week 3: We snijden nu alleen de derde darrenraat weg.

Week 4: De eerste darrenraat is nu verzegeld, hierin zitten normaal heel wat varroamijten. We snijden deze weg.

Week 5: De tweede darrenraat is nu verzegeld, we snijden deze weg.

Week 6: De derde darrenraat is nu verzegeld, we snijden deze weg.

Week 7: Terug de eerste darrenraat…

 

Ondanks al deze maatregelen om zwermen te voorkomen, zal je nog bij een kastcontrole geregeld koninginnendoppen vinden. Sommige imkers gaan dan al deze doppen uitknijpen in de hoop dat ze daarmee het zwermen zullen tegenhouden. Meestal is dit een onbegonnen werkje en vaak wordt er wel een dop over het hoofd gezien. En als je er nu toch in slaagt om alle doppen te verwijderen, dan geven de bijen hun plannen zomaar niet op. Ze trekken nieuwe zwermcellen op en de week erna mag je opnieuw doppen knijpen. Soms weken aan een stuk, tot de imker of de bijen zich erbij neerleggen. Een afdoende methode om de zwermneiging te onderbreken bij het vinden van moerdoppen, is het maken van een tussenaflegger. Dit zullen wij behandelen in het hoofdstuk “Bedrijfsmethoden”.

 

Uittreksel uit "Bijenhouden in de 21ste eeuw" door Dirk Desmadryl