Logo konvib-312

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: december
Auteurs: Prof. Dr. Ir. Octaaf Van Laere

Het bijenras Carnica

 

1. Historische situering

f1Na de beschrijving van de honingbij als een afzonderlijke soort door Linnaeus in 1758 volgden op het Europees vasteland officiële erkenningen van de volgende vijf geografische rassen, die door de eeuwen heen op natuurlijke wijze tot stand gekomen zijn:

Zwarte bij: Apis mellifera mellifera, Linnaeus 1758

Italiaanse bij: Apis mellifera ligustica, Spinola 1806

Carnioolse bij: Apis mellifera carnica, Pollmann 1879

Caucasische bij: Apis mellifera caucasica, Gorbachëw 1916

Macedonische bij: Apis mellifera macedonica, Ruttner 1988.

Binnen het ras Apis mellifera carnica zijn er van oudsher natuurlijke aanpassingen aan diverse regio’s tot stand gekomen en zijn er sedert de eerste helft van de 20ste eeuw een drietal stammen geselecteerd, stammen die zich tot op heden hebben gehandhaafd. Ze zijn tot stand gekomen doordat bijzonder vakkundige imkers en imkersgroeperingen een aanhoudende uitlezing hebben uitgevoerd van bijenkolonies die een hoge honingopbrengst gaven, en voorts enkele essentiële gunstige kenmerken vertoonden zoals zachtaardigheid, zwermtraagheid en raamvastheid. De betrokken imkers voerden een selectieprogramma uit en konden zich handhaven doordat ze geteelde koninginnen ook geregeld in de onmiddellijke omgeving verspreidden.

De aldus tot stand gekomen stammen komen uit een carnicapopulatie met een vrij grote interne erfelijke verscheidenheid. Door de uitgevoerde ‘massaselectie’ zijn ze aangepast aan één of een paar regio’s waarin ze gevormd werden. Brengt men ze over naar een andere regio, dan is het resultaat niet voorspelbaar: in het ene geval zal dit een succes zijn, in andere gevallen kan het resultaat wel eens erg tegenvallen. De oorzaak hiervan ligt in het tot stand komen van nieuwgevormde genencombinaties met andere minder homogene genenstructuren van een externe populatie. In sommige gevallen heeft men vastgesteld dat het invoeren van een uiterst zachtaardige populatie van een bepaalde carnicastam in een carnicapopulatie van een andere streek aanleiding geeft tot een nakomelingschap waarvan een deel van de kolonies erg steeklustig zijn.

2. Slovenië, de bakermat van de carnicateelt

f2Reeds in de 18de eeuw publiceerde Anton Janša (Fig. 1), leraar aan de toenmalige ‘Keizerlijke bijenteeltschool’, twee merkwaardige leerboeken over bijenteelt die in hoge mate hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de rationele bijenteelt: ‘Abhandlung vom Schwärmen der Bienen’ (1771) en ‘Vollständige Lehre der Bienenzucht’ (1775).

De kleine Sloveense bijenkastjes, die met hun beschilderde voorwand tot de volkscultuur behoren (Fig. 2), vormen mede de basis van de ontwikkeling van een bijzonder geografisch tot stand gekomen populatie in het Sloveens gebergte nabij de Hongaarse en Oostenrijkse grens. Dit is het oorsprongsgebied van de carnicabij (Fig. 3).

Op grond van zijn bijzondere e ige ns c h a p p e n w e rd de z e bijenpopulatie in 1879 door Pollmann beschreven als een afzonderlijk ras, de Apis mellifera carnica (Fig. 4).

Volgens Ruttner (1992) komen in andere, meer noord-oostelijk gelegen gebieden van Oostenrijk, natuurlijke kruisingen met andere rassen voor.

Susnik et al. (2004) voerden een mtDNA en nucleaire DNA-analyse uit van bijen uit 269 localiteiten in Slovenië. Ze vonden voor deze bijenpopulatie een uiterst homogene structuur met een aparte genenconfiguratie binnen het carnicagebied.

Reeds ten tijde van Janša werden op intensieve wijze koninginnen naar het buitenland uitgevoerd, maar het is pas later dat men aan oordeelkundige selectie is gaan doen en dat de Sloveense stam als ‘carnica 03’ gekarakteriseerd werd. In 1984 werd in Ljubljana een overheidsdienst (‘Amt für die Auslese der Carnica’) belast met de ondersteuning en de controle van de kwaliteit van het carnicaras in Slovenië.

Het invoeren van om het even welk ander bijenras in Slovenië is uitdrukkelijk verboden en aan de imkers wordt voorgeschreven elke bijenkoningin, die niet aan de raskenmerken van de carnica beantwoordt, te vernietigen.

f3f4

3. De stam ‘Carnica Peschetz’

f6Het is de Oostenrijkse imker Hans PESCHETZ (1901 - 1968) die in de twintiger jaren een nateelt begon uit een raszuivere carnicazwerm, die hij uit een afgelegen dorp in ‘Oberkärnten’ had meegebracht.

Hoewel toen in zijn eigen streek een gemengde populatie van carnica en Italiaanse bijen geteeld werd, is hij erin geslaagd het aantal vreemdparingen tot een minimum te beperken door steeds een groot aantal nakomelingen met een goed gekozen darrenteelt op een vrij goed geïsoleerde bevruchtingsstand in een vallei van het hooggebergte op te stellen.

Reeds vóór de tweede wereldoorlog voerde Peschetz carnicakoninginnen uit naar een paar vooraanstaande imkers in Noord-Duitsland. De honingopbrengsten van de voorjaarsdrachten lagen daar zo hoog boven de gangbare gemiddelden, dat de belangstelling voor het carnicaras gestadig steeg. Dank zij het oprichten van een bevruchtingsstation op het kleine eiland Hallig bij de westkust van Friesland zijn de resultaten doorheen de naoorlogse periode bewaard gebleven. Later en tot op heden kwam daarbij nog het grotere bevruchtingsstation op het eiland Sylt. Op dit eiland wordt tot op heden de Peschetz-stam in reinteelt gehouden. Een te verregaande inteelt wordt vermeden door om de drie à vijf jaar een paar koninginnen van een Peschetz-teler uit Oostenrijk in te voeren.

f5

4. De stam ‘Carnica Sklenar’

f7Reeds vóór 1900 was Guido Sklenar in het Noord-Oosten van Oostenrijk begonnen met een selectie in en rond zijn bijenstand. Zijn stand van een vijftigtal kolonies lag bij de rand van het natuurlijk verspreidingsgebied van de carnicabij. Het natuurlijk habitat lag zo een duizend km noordwaarts en in een meer continentaal gebied dan de plaats waar Peschetz 25 jaar later zijn selectie zou beginnen. Het is dus niet verwonderlijk dat tientallen jaren later ervaren specialisten in de praktijk soms vrij uiteenlopende resultaten boekten met deze uiteraard verschillende geografische typen van de carnicastam.

Guido Sklenar kweekte telkens weer nakomelingen uit bijenkolonies met een zeer hoge honingproductie, e e n z a c h t a a r d i g g e d r a g , raamvastheid, vluchtactiviteit bij vrij lage temperatuur, een regelmatig ontwikkeld broednest, omgeven door een voorraad- en stuifmeelgordel en een snelle voorjaarsontwikkeling. Een nadeel, dat later uitgeselecteerd werd, was de te sterke propolisering.

Aanvankelijk selecteerde hij gedurende een aantal jaren, zonder afzonderlijke bevruchtingsstand, telkens weer koninginnen uit de beste volken die hij dan invoerde in zijn overige volken en bij de imkers van een brede omgeving.

In één uitgelezen volk werden massaal darren gekweekt. Het is pas enkele tientallen jaren later, na de ontdekking van de meervoudige paring, dat men, ook bij Peschetz, begon met het plaatsen van meerdere darrenvolken op de bevruchtingsstanden.

Tegenwoordig zijn de Sklenartelers in de van oudsher bestaande ‘Sklenarbund’ georganiseerd me t go e d ge o rg a n i s e e rde bevruchtingsstanden en K.I.-centra. De ‘Sklenarbund’ vermeldt zeven linies met elk specifieke kenmerken. Men kan deze terugvinden op www. bienenzucht.de. Voor bepaalde selectiedoeleinden kan het nuttig zijn de ene of de andere in een selectieprogramma in te voeren.

5. Evolutie van de carnicapopulatie in Europa

Door de tot op heden stelselmatig herhaalde invoer uit Slovenië en Oostenrijk heeft het brede genetisch patrimonium zich gehandhaafd in meer noordelijke gebieden. Met moderne selectiemethoden van de dierlijke sector (BLUP) bereikt men ook met de carnicapopulatie een dubbel doel:

• door het voortdurend vermengen van stammen uit diverse regio’s wordt het brede genetisch patrimonium behouden;

• door het stelselmatig verspreiden van verbeterd genetisch materiaal verstevigen zich de gunstige eigenschappen in de praktijk.