Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: december
Auteurs: Ko de Witt

Buckfastteelt

 Nieuwe inzichten

f1De laatste tweehonderd jaar voltrokken er zich belangrijke veranderingen in de bijenteelt: van de holle boom ging het over korven naar de moderne spaarkast, na het statische bijenhuis kwamen de mobiele bijenkasten die sommigen van de ene drachtplaats naar de andere voeren, soms honderden kilometers van elkaar verwijderd.

Elke verandering leverde zijn ‘helden’ op: Peter Prokopovych (1775-1850) vond de koninginnenrooster uit, Johannes Dzierzon (1811-1906) kwam met het uitneembare raam en ontdekte de parthenogenese, Lorenzo Langstroth (1810-1895) vestigde onze aandacht op de bijenruimte en creëerde de kast die zijn naam draagt, Gregor Mendel (1822-1884) ontdekte hoe planten en dieren hun genetische eigenschappen overdragen op hun nakomelingen, Ludwig Armbruster (1886-1973) schreef zijn baanbrekend boek Bienenzüchtungskunde, Friedrich Ruttner (1914-1998) ontdekt dat koninginnen met meerdere darren paren, …

Vreemde rassen overal

Imkers zijn steeds naar vooruitgang blijven streven, daartoe hoorde ook de verbetering van hun bijen via de invoer van andere rassen. Dat nam soms extreme vormen aan. Zo werd bijvoorbeeld de inlandse zwarte bij op vele plaatsen in Duitsland vanaf de jaren dertig verdrongen door de carnica.

Dat niet iedereen met die gang van zaken opgezet was, bleek o.a. in Zwitserland waar Ulrich Kramer (1844-1914) van de strijd tegen de verbastering van de Zwitserse nigra door vreemde importen zijn levenswerk maakte.

De keuze van een ras is veelal ingegeven door de omstandigheden. Een beginner kiest zijn bij zelden op basis van objectieve gronden (leermeester heeft ras X, of in de afdeling is er een afspraak om enkel maar ras Y te houden, …).

Hoe dan ook, de huidige bijenrassen zijn teeltrassen geworden, in de mate dat ze door selectie en bewuste aanparing genetisch verschillen van de oorspronkelijke geografische populaties. Deze zijn als het ware een continuüm geworden: ze gaan geleidelijk in elkaar over, maar kunnen lokaal best wel verschillen.

Mendel en Armbruster

Beide wetenschappers hadden onrechtstreeks een groot aandeel in de ontwikkeling van de buckfastbij. In zijn klooster in Brno bestudeerde Gregor Mendel de overerving van eigenschappen d.m.v. kweekproeven met o.a. erwten. Hij stelde een theorie op over hoe eigenschappen zich gedragen bij het overerven en kruisen. De wetmatigheden die hij hierbij ontdekte, worden de Wetten van Mendel genoemd. Echter, toen hij zijn ontdekkingen in 1866 publiceerde, trokken ze weinig aandacht. In 1900 werd zijn werk ‘herontdekt’ door H. De Vries, C. Correns en E. von Tschermak en sinds die tijd is Mendel’s naam een begrip geworden in de genetica en de biologie.

Mendel was zelf een enthousiast imker. Zijn experimenten met bijen mislukten evenwel. Dat kon ook niet anders: hij had immers geen controle over de darren en vermoedelijk wist hij weinig of niets af van de parthenogenese. Dat de koningin met meerdere darren paart, werd bovendien pas in 1953 bekend.

Het was Ludwig Armbruster die broeder Adam op het spoor zette van Mendel. De man was geleerde en pastoor en schreef in 1919 het boek Bienenzüchtungskunde. Daarin werden de wetten van Mendel voor het eerst beschreven met betrekking tot de bijen. Het boek maakte duidelijk dat elk ras goede en slechte eigenschappen bezit en dat het mogelijk is door kruising binnen een soort de goede eigenschappen met elkaar te combineren, mits een uiterst doorgedreven, strenge selectie.

De prenazitoestanden in Duitsland werden Armbruster fataal: in 1934 werd hij als professor aan de universiteit van Berlijn gedwongen om met pensioen te gaan. Hij zou er nooit meer terugkeren, ondanks het feit dat hij in 1957 het Bundesverdienstkreuz 1. Klasse ontving. Sinds 2006 wordt er hard gewerkt aan zijn rehabilitatie, maar een echte Wiedergutmachung zit er niet meer in.

Broeder Adam

f2Broeder Adam zag het levenslicht als Karl Kehrle in 1898 in het Duitse dorpje Biberach. Op elfjarige leeftijd trad hij in bij de benedictijnen van St. Mary’s Abbey of Buckfast. Vanaf het voorjaar van 1915 assisteerde hij broeder Columban bij het imkeren.

In 1919 trok broeder Columban zich terug en werd broeder Adam verantwoordelijk voor de imkerij. Een jaar later maakte hij kennis met het boek van Ludwig Armbruster en bracht de principes ervan in de daaropvolgende decennia in praktijk, aanvankelijk m.b.t. de nateelten van de kruisingen tussen de Engelse zwarte bij en de Italiaanse, later bij de inkruising van alle andere ingevoerde rassen.

De hele lengte van de dertiger jaren werkte broeder Adam aan de integratie van de Franse bij. Van 1950 tot 1983 bezocht hij vervolgens vrijwel alle landen rond de Middellandse Zee plus Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Intussen kruiste en combineerde hij de rassen die hij van deze reizen meebracht met zijn buckfastbij. De resultaten van deze reizen schreef hij neer in zijn boek Mijn zoektocht naar de beste bijenrassen. Hij schreef overigens nog twee andere boeken: De teelt van de honingbij (1982) en Onze bedrijfsmethode op de Buckfastabdij (1969).

In 1987 trok hij met enkele bevriende imkers richting Tanzania en Kenya waar hij de Apis mellifera monticola en de Apis mellifera scutellata wou observeren in hun natuurlijk habitat.

Het werk van broeder Adam had intussen in vele kringen erkenning gekregen. In 1964 werd hij gevraagd toe te treden tot de Raad van Bestuur van de International Bee Research Association, een organisatie waarvan hij in 1971 vicevoorzitter werd. In 1973 maakte koningin Elisabeth hem Officer of the most Excellent Order of the British Empire, in 1974 ontving hij het Bundesverdienstkreuz van de toen nog Federale Republiek Duitsland, in 1987 volgde een onderscheiding door de Uppsala Universiteit in Zweden en in 1989 werd hij doctor honoris causa aan de Exceter University in het Verenigd Koninkrijk.

Wat hier op volgde was minder fraai. In 1992 dwong de nieuwe abdijabt hem tot ontslag. Diep gekwetst bracht de intussen 94-jarige oude monnik de zomer en herfst door in zijn geboortestreek bij zijn nicht Maria Kehrle. Trouw aan zijn monastieke verplichtingen keerde hij in 1993 terug naar de abdij waar hij in grote eenzaamheid de hem nog gegeven dagen sleet. Hij stierf op 1 september 1996.

Ontwikkeling buckfastbij

In 1915, het jaar dat broeder Adam’s imkerloopbaan startte, bezat de abdij 46 volken, verdeeld over twee standen. De acariose trof al meteen de volken van de abdij - de Engelse bij was heel gevoelig voor de ziekte - en slechts zestien doorstonden de epidemie. De overgebleven volken werden in mei 1916 opgedeeld en voorzien van dertig, uit Italië geïmporteerde, ligusticakoninginnen uit de streek van Ligurië.

In 1917 - de eerste wereldoorlog woedde nog - vroeg de regering aan de abdij om haar aantal volken te verhogen tot honderd. De koninginnen die hiertoe nodig waren, werden geteeld uit de volken die de epidemie hadden overleefd.

In 1918 en 1919 stuurde de abdij honderden nuclei naar alle delen van het land om de verliezen door acariose te compenseren. De hiertoe benodigde koninginnen werden geteeld uit de volken die de epidemie hadden overleefd. Eén van de in 1919 geteelde koninginnen leek al de gewenste kwaliteiten in zich te hebben van de Italiaanse bij én van de oude inlandse bij. Deze bijzondere koningin werd geregistreerd als ‘B1’ en werd zodoende de moeder van alle latere buckfastkoninginnen. De volgende jaren concentreerde broeder Adam zich verder op de nateelten uit die B-1, die de in haar gestelde verwachtingen volkomen inloste.

In 1925 zette broeder Adam een nieuwe, voor hem heel belangrijke, stap. Hij liet de eerder kleine Engelse standaardkast voor wat ze was en stapte geleidelijk over op de ruimere Amerikaanse dadant-blattkast.

Hierin zouden zijn vruchtbare koninginnen ongehinderd kunnen tonen tot wat ze in staat waren. De resultaten waren zo overtuigend dat hij 1930 alle productievolken, 320 in totaal, in dadant-blattkasten had gehuisvest.

Het betrouwbare teeltstation dat hij absoluut nodig had om zijn kruisingsproeven te ontwikkelen, kwam er ook in 1925, op de heide van Dartmoor, in het gebied ‘Sherberton’ genaamd.

In 1930 kocht broeder Adam bij een beroepsimker in de Gâtinais 150 Franse nigravolken en enkele van diens beste koninginnen. Hij bewonderde de Franse nigra om haar vliegkracht en vitaliteit. Hij kruiste de Franse koninginnen met darren uit zijn toenmalige buckfastvolken. In 1939, na veel geduldig selecteren en combineren, was de ‘nieuwe’ bij perfect gestabiliseerd. Ze overtrof de oude combinatie in alle opzichten en werd de nieuwe buckfaststandaard. Van een reis naar verschillende landen rond de Middellandse Zee bracht broeder Adam in 1952 teeltmateriaal mee uit het zuiden van Griekenland: de Apis mellifera cecropia, een ondersoort van de carnica, bekend om haar extreme zachtheid en geringe neiging tot zwermen. De gestabiliseerde lijn werd in 1959 volgens de beproefde methode ingelijfd in de buckfaststam.

Intussen was broeder Adam in 1954 ook in Turkije geweest van waaruit hij de Apis mellifera anatolica, waarvan vele ondervormen bestaan, had meegebracht. Hij slaagde erin de extreme vruchtbaarheid en wintervastheid van de centraalanatolische variëteit vast te leggen in zijn buckfastbij.

f3

In oktober 1962 vloog broeder Adam naar Egypte. Daar leefden stammen van de Apis mellifera lamarckii die helemaal niet propoliseerden, een eigenschap die hij er hoog waardeerde. Het duurde nog tot 1967 vooraleer hij de eerste kruisingen met deze bij uitvoerde. Haar integratie vond plaats in 1974. Latere kruisingen met de Athosbij en nogmaals de Anatolische bij waren er vooral op gericht om een verdere intensifiëring van de bekomen resultaten te bewerkstelligen. Broeder Adam testte nog vele andere rassen uit, maar niet alle kruisingen werden een succes.

Teelt- en selectiemethode

Broeder Adam’s bedrijfmethode, die uitgaat van het gebruik van een onbeperkte broedruimte, zou zonder koninginnen van de hoogste kwaliteit en vitaliteit haar economische doelstellingen niet hebben kunnen waarmaken. Hij besteedde dus extreem veel zorg aan de teelt van deze koninginnen. Hierbij vervulden de pleegvolken een sleutelrol: bij de aanvang van de teelt plaatste hij op een willekeurig volk van twaalf ramen een tweede broedkamer met tien ramen gesloten broed met bijen. Tien dagen later controleerde hij dit monstervolk op koninginnendoppen die hij eventueel verwijderde. De eigenlijke teelt begon nog drie dagen later. De bovenste broedbak kwam dan op de plek van de onderste waarin hij vervolgens de koningin opzocht. Bijkomend schudde hij uit de verplaatste broedbak nog de bijen van zes tot acht ramen met open broed bij het pleegvolk. Dat bezat op dat moment quasi alle vliegbijen én een overmaat aan voedsterbijen, het had geen open broed meer te verzorgen. Het bevond zich dan ook in de allerbeste stemming voor de acceptatie van het teeltmateriaal dat een uur of twee later werd ingebracht.

De koninginnen die hieruit v o o r t k w a me n , g i nge n t e r bevruchting naar de stations Sherberton en Golden Dagger op Dartmoor waar ze maanden na elkaar werden opgevolgd. De bevruchtingskasten waren zo opgevat dat de erin gehuisveste volken de uiterst koude winter van Dartmoor konden overleven. Degene die op een bevredigende wijze uit de ‘beproeving’ kwamen, werden in maart op de productievolken geplaatst, waar ze het voorwerp werden van een strenge selectie. Alleen uit de best presterende koninginnen werd verder geteeld.

Rare darren

De parthenogenese, de voortplanting door middel van vrouwelijke geslachtscellen die zich ontwikkelen zonder bevruchting, speelt een grote rol bij het bekomen van de juiste darren.

Terwijl een koningin ontstaat uit een vader en moeder en haar eicellen combinaties zijn van de genen van haar ouders, is een dar een combinatie van de genen van zijn grootouders en dat geldt ook voor zijn zaadcellen. Dat heeft gevolgen voor de teelt.

De tweede wet van Mendel, de splitsingswet, voorziet immers in een kruising tussen de F1-nakomelingen van de oudergeneratie. Omwille van de parthenogenese vinden we F1-darren van het oorspronkelijke vadervolk dus niet bij de mannelijke partner van de F1-generatie, maar bij de dochterkoninginnen ervan. Dat uit zich overigens ook in de pedigree van een buckfastkoningin. Broeder Adam noteerde die als volgt: G305 = .52-G96 x K413 ‘G’ staat hier voor ‘Grieks’, ‘305’ voor het ‘nummer van de kast waarin de koningin zich bevindt’, ‘.52-G96’ voor ‘Griekse koningin geboren in 1952 in kast 96’, ‘x K413’ voor ‘gepaard met darren van dochters van K413, in dit geval een carnicakoningin van Musshauser, Ost Tirol’. Vandaag de dag bevatten de buckfastpedigrees ook de gegevens van de voorouders.

Waarom buckfast?

Broeder Adam toonde overtuigend aan dat een vooruitgang in de teelt enkel te boeken viel via het inkruisen van de kwaliteiten van andere rassen. Telen binnen één ras zag hij als een eindig iets: wat er genetisch gezien niet inzit, krijg je er ook niet uit. De selectiemethode van de buckfast is overigens een open systeem dat heel toekomstgericht is: de zoektocht is nooit af. Bovendien steunt de werkwijze op het levenswerk van drie fascinerende mensen: Gregor Mendel, Ludwig Armbruster en broeder Adam.