Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

De biologische activiteit van PROPOLIS

Bron: Federaal Imkersblad juli/augustus 2012
Al jaren observeert men in vele landen een enorme groeiende interesse voor de propolis (=vettige bijen kit) als substantie met een genezende werking, vooral voor zijn werking tegen vele patogenische soorten bacteriën bij mens en dier. Er vertoonde zich zelfs een zekere mode van gebruik van producten van de propolis als een natuurlijk heil middel bij de genezing van ziekten die weinig of helemaal niet gevoelig zijn voor de gekende pharmacologische preparaten.

Hierbij is de visie niet aanvaardbaar, dat de propolis als een "natuurlijke" substantie een zwakkere uitwerking op het te genezen organisme heeft dan medicamenten die via chemische synthese ontstaan zijn, maar ook de visie dat de propolis totaal geen negatieve gevolgen op het organisme van mens en dier zou hebben is niet zonder meer acceptabel. Tot nu toe vertoonden preparaten getrokken uit deze bijenkit, een grote bruikbaarheid bij de genezing van etterende huidinfecties met een bacterische en schimmelige etiologie die door bestaande micro-organische stammen werden opgeroepen tegen antibiotica en sulfonamide. Een zeer aantrekkelijk effect werd ook bereikt bij de genezing van de mens door het gebruik van propolis tegen zweren, eczema, ligwonden bij mensen die bedlegerig zijn, openingen van de onderdij, etterende en verwikkelingen bij beeninfecties en zelfs bij genezing van infecties die gepaard gaan met een groot verval van de weefsels.

In vele landen wordt de propolis met succes gebruikt in de stomatologie m.b.t. de genezing van wonden die geïnfecteerd werden na een extractie van de tanden, infecties van slijmvliezen (poliepen), in de gynaecologie bij de therapie van etterende ontstekingen van de schede, van de baarmoeder en zelfs van de eierstokken en eigeleiders, alsook bij de genezing van bacterische longziekten.

De propolis wordt ook gebruikt in de veterenaire geneeskunde, vooral bij honden en katten, bij de genezing van wonden die moeilijk sluiten, bij infecties van de melkklieren bij koeien (opgedaan door bacteriën en saccharomycetes cerevisae dat bestand is tegen antibiotica),alsook bij de genezing van bacterische infectieziekten van de geboortewegen bij honden en koeien.

Grote hoop wordt in het vooruitzicht gesteld bij het gebruik van bijenkit bij de genezing van infecties van het uit- en inwendige oor bij honden. De therapie bij deze langdurige ziekten, die dikwijls bij rashonden voorkomt en in de regel door een gemengde bacterio- schimmelziekte wordt veroorzaakt, geeft goede resultaten. De geïsoleerde microflora uit de oren van de zieke honden is in de regel weerspannig tegen de verkrijgbare antibiotica en chemiotherapeutica. De observaties bij de genezing van oorinfecties bij honden, gehouden in de kliniek voor infectieziekten bij dieren van de veterenaire afdeling in Lublin (Polen), bewijzen volledig het effect van de therapie bij het gebruik van propolisextracten.

Opwekking verdedigingskrachten van het organisme
Een andere zeer waardevolle eigenschap van de bijen kit is de opwekkende werking hiervan op het organisme. Alhoewel er tot nog toe volledige werken over dit thema ontbreken, tonen de bestaande klinische observaties en de voorhanden zijnde uitkomsten van de bacterische onderzoeken duidelijk aan, dat de propolis de eigenschap bezit tot opwekking van de natuurlijke verdedigingskrachten van het organisme, wat uiteindelijk het ziekteproces vlugger doet voorbijgaan en de intensiteit van de klinische ziekteverschijnselen verzwakt. Vandaar ook dat het mogelijk lijkt om van de propolis gebruik te maken (natuurlijk eerst na volledige onderzoeken op laboratorische proefdieren en na voorklinische onderzoeken) als een natuurlijke weerstandsimmunodulator in het organisme van dieren en misschien ook van de mens.

Pharmacologische en en pharmacokinetische onderzoeken en klinische observaties, zouden deze suggesties vlug moeten verifiëren, vooral wat betreft de propolis als immunostimulator van ceIweerstanden in het voorkomen en therapie van gezwelziekten.

Tot nu toe werd slechts de antibacterische werking van de propolis volledig gedocumenteerd. De waarde van de preparaten met een antibacterische werking hangt af van hun bekwaamheid om de vermeerdering van bacterische cellen (bacteriostatische eigenschappen) te stoppen. Hun duurzaamheid speelt eveneens een belangrijke rol, vooral in gebruiksvormen (injecties, zalfjes, extracten), het niveau van hun activiteit (activiteitsgraad) in de structurele vochten alsook de duur van het zich houden van de bacterische verstarring in het behandelde organisme. Deze factoren beslissen over de vorm van het geven van medicamenten, de hoeveelheid van de dosis van actieve substanties alsook over de frequentie van hun gebruik. Men onderscheidt twee basis-interventiemechanismen in de structuur van de levende cel bij het dier, waar de antibacterische activiteit van de verbindingen van natuurlijke afkomst op steunt.

Het eerste mechanisme steunt op een beïnvloeding van de enzymen, de tweede daarentegen op een beïnvloeding van de celstructuren. Beide actie-mechanismen zijn het gevolg van een verbinding van een substantie met antibacteriewerking de therapie bij het gebruik van propolisextracten. met een receptor van haar specifieke optreden in de bedoelde cel, d.w.z. in de cel die gevoelig is voor de werking van de verbindingen en die de activiteit van de propolis veroorzaken.

In het geval van een substantie die net zo is samengesteld als de propolis, waar niet alleen de aanwezigheid van bepaalde nauwkeurig omschreven chemische verbindingen over de antibacterische activiteit beslist, maar ook hun tegenzijdige proportie alsook de deelname in verschillende metabolische reacties in het organisme, is het zeer moeilijk een eenduidig mechanisme met antibacterische werking te bepalen. Een bijkomende moeilijkheid in de omschrijving van de afhankelijheid tussen kwaliteit en kwantiteitsstructuur van de propolis en hun activiteit die de groei of de micro-organismen vernietigt, vormt ons tekort aan accurate kennis van de structuur der substantie die de antibacterische activiteit veroorzaakt. Als gevolg van een gebrek aan vervolledigde gegevens over het mechanisme van de werking van de propolis zowel op het niveau van de cellen, alsook op moleculair niveau, kan men enkel vermoeden, dat de anti-micro-organische werking van de propolis zeer ingewikkeld is. De bacteriostatische werking die het uiteindelijke gevolg is, is de som van de werkingen van de respectievelijke gedeeltelijke bestanddelen.

Er bestaan suggesties, die echter nog niet helemaal gedocumenteerd zijn, dat de extracten van de propolis zouden werken op de vliezen die de cellen van het micro-organisme omvatten (cytoplasmecelvlies) en niet op de gevolgen van eicelveranderingen of metabolische nucleïnezuren. In het geval van flavonoïden, die een van de belangrijkste actieve componenten van de propolis vormen, hangt het mechanisme van hun werking af van de doordringbaarheid van de bacterische vliezen. Vandaar ook dat flavonoïden die voorkomen in de extracten van de propolis schadelijk en zelfs vernietigend werken op zowel de jonge bacterische cellen gedurende de verdeling alsook op de andere cellen die niet meer voor deling in aanmerking komen.

Rationele fundamenten van de apitherapie bij het gebruik van propolis-extracten zijn mogelijk bij de basisvan de uitleg van de chemische structuur van de propolis, bij de respectievelijke biologische eigenheden, bij zijn structuren alsook bij hele optredende groepen in de extracten. Een wezenlijke betekenis hierbij speelt de rol van de antibacterische activiteit tijdens de verandering van de microorganismen, die verband houdt met het optreden van weerstanden alsook door haar toxische werking en andere indirecte werkingen op het behandelde organisme. Een belangrijke rol wordt ook gespeeld bij het herkennen van pharmacokinetische preparaten die in hun structuur propolis bevatten en bij het herkennen van de methoden van een bijzonder actieve extractenwinning alsook de kennis van de invloed van fysiologische en chemische factoren op de activiteit van propolisextracten. Het gebruik van propolisextracten in de therapie bij ziekten bij mens en dier, vereist ook kennis over de invloed van de structurele vochten (bloed-limfe) en van de afscheidingen (melk) op de vorming van de antibacterische werking van de propolisextracten.

Bijenkit
Propolis (bijenkit) is een harsachtige teerachtige substantie die de bijen gebruiken om hun nest te dichten, om gaten en spleten te lijmen, alsook - in een mengeling met was - om de cellen te verfijnen voor hun rood worden. Het gebeurt ook dat de bijen de lichamen van het dode ongedierte dat zich in de bijenkast genesteld heeft met kit bedekken, als ze niet instaat zijn ze vanwege hun grootte te verwijderen.

De verzamelaarsters brengen de propolis naar het nest d.m.v. hun kleverige, blinkende pootjes die zij gekregen hebben van bloemknoppen en jonge scheuten van populieren, heide, dennen, kastanje, sparren en van nog andere bomen en planten. De propolis wordt vooral in de zomer bijzonder naarstig verzameld. De propolis verschilt in zijn kleur; van een helder geel en rood over bruin tot bijna zwart aandoend. Hij kan ook een groenachtige schijn hebben. In het geval van langdurige vraag, kunnen de bijen(verzamelaarsters) ook gebruik maken van andere bronnen zoals, bv. teer, hars en zelfs asfalt.

De kwalitatieve- en kwantitatieve structuur van de propolis hangt af van de aard van de flora die, door de bijen, in de buurt werd aangedaan alsook van klimatologische voorwaarden die er gedurende de vluchten van de bijen heersten. Zelfs in eenzelfde omgeving is er een verschil tussen zowel de kwalitatieve alsook kwantitatieve structuur van de propolis in de respectievelijke vluchten die verschillen bij de hoeveelheid en duur van regenval en met de temperatuur. Dikwijls zijn de verschillen zo fundamenteel dat ze zelfs een gebrek aan antibacterische activiteit kunnen vertonen.

Samenstelling
Bijenkit bezit rond 50% harssubstantie, 13% vluchtige substanties, 10% bijenwas, 9% plantaardige was en 8% looizuren. De overige 10% worden gevormd door andere veelvuldige mengsels in de propolisstructuur. Rekening houdend met de zeer verscheiden afkomst van de bron van de bijenkit geven andere bronnen de volgende samenstelling: 50-55% hars en balsem, 25% was, 10% aromatische oliën, 5% plantenstof. De overige 5% worden dan gevormd door organische looizuren, zuren en organische alkoholen, flovonen terpentijnen en minerale substanties. Men stelt dat in bijenkit ook ijzer aanwezig is en andere micro-elementen zoals leem, bar, chroom, zink, cobalt, koper, tin, nikkel, lood, strontium, titaan en wanaad.

Propolis was reeds gekend en zeer begeerd in het Oude Egypte waar hij gebruikt werd om lijken te balsemen.Het was ook gekend als genezende substantie in het Oude Griekenland en in de middeleeuwen in Arabië. Over zijn genezende eigenschappen werd al geschreven door Aristoteles en Avicenna.
In de middeleeuwen werd de bijen kit in Europa gebruikt om woningen uit te roken, vooral tijdens epidemies (pest) en in de praktijken van kwakzalvers.

De eerste veranderingen in het gebruik van bijenkit met de bedoeling wonden te genezen dateren uit de tijd van de Boerenoorlog (rond 1900). Met hetzelfde doel werd het gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Russische leger. Ambachtslui die zich met houtbewerkingen bezig hielden, gebruikten bijenkit om hun houten werken te conserveren. Hij werd ook gebruikt in de samenstelling van sommige verven en lakken. Tegenwoordig zijn in ettelijke landen, preparaten die propolis bevatten officieel ingeschreven in het staatsregister voor medicamenten.

Propoliswinning
De winning van bijenkit gebeurt het vaakst door een nauwkeurig afkrabben van de plaatsen waar de ramen de bijenkorf raken alsook van de ramen zelf, van uitstekende balkjes of van zolderingen. Grote hoeveelheden propolis kan men vooral winnen gedurende de herfst of lente als er afdekkingen ontbreken. De productie van bijenkit kan men vergroten door grotere afstanden te maken tussen de balkjes en de wanden van de bijenkast en alzo spleten en lege plaatsen over te laten. In het uitbuiten van de zoldering kan men gebruik maken (zoals reeds de imker-encyclopedie beschrijft) van een dubbel nylonnetje dat zich rechtstreeks op de raampjes bevindt. Men kan ook in de zolderingen openingen uitsnijden met juist passende nylonnetjes die dit opvullen. De plaatsen van aanraking (van de ramen met de bijenkast) en dikwijls ook hele openingen worden door de bijen met redelijk zuivere kit bedekt. Uit een bijenkast kan men zo ongeveer 50 g zuivere kit trekken.

Substanties
De substanties die de biologische activiteit, vooral de antibacterische activiteit van de propolis veroorzaakt, hebben de interesse van vele wetenschappers gewekt. In 1911 toonde Kustenmacher aan, dat er in de bijen kit kaneelzuren en cynamelische alcoholen aanwezig zijn. In datzelfde jaar bewees Dietrich de aanwezigheid van valine in de bijenkit. Jun-bert daarentegen toonde aan dat er zich chryzine in bevond. Echter eerst door de onderzoeken van Villanueva en zijn medewerkers, waarvan de resultaten in 1964 werden gepubliceerd, maakten het mogelijk dat men in propolis, verbindingen uit de groep van de flavonoïden met een antibacterische werking vond. Tot deze verbindingen behoorden primuletyne, chryzine, tectochryzine, acacetyne, galgagyne, moryne, robinetyne, kwarcetyne, kemferol en izoramnetyne. In verdere onderzoeken heeft men dan nog pinocembryne en isalpyne uit de propolis weten af te scheiden. Daarbij werd aangetoond dat pinocembryne m.b.t. Bacillus subtilis een antibacterische werking heeft.

In verdere onderzoeken werd de aanwezigheid van vetzuren, sterieden, seskwiterpenen en secundaire fenoiozuren in de bijenkit aangetoond. Verder werden er pogingen ondernomen om de rol van de flavonoïden als factoren met bacteriedodende werking, in propolisextracten te verduidelijken. Hierbij werd aangetoond, dat kemferol, kemferied, kwercetyne en mirycetyne niet alleen bacteriostatisch werken, maar ook bacterie-dodend m.b.t. vele soorten bacteriën.

In verdere onderzoeken werd aangetoond dat de werking die de groei van de bacterie remt of m.b.t. sommige bacterische stammen zelfs dood, ramnetyne, moryne, robetyne marringenyne bevat. Ondanks het feit dat in de laatste jaren vele substanties met een anti bacteriewerking geïdentificeerd werden in de bijenkit, is er met het oog op de grote verschillen in kwantitatieve en kwalitatieve samenstelling van propolis, (die tenJunauwste afhangt van de bron van afkomst en de methode van extractie) toch niet alles geweten. Nog steeds worden er onderzoeken verricht in veel laboratoria om de actieve samenstellingen van de bijenkit te identificeren en om de methoden van extractenwinning te verbeteren die het moeten mogelijk maken om extracten te winnen die zo actief mogelijk antibacterisch werken.

De invoering van de propolis in de therapie vereist de bewerking van herhaalbare en nauwkeurige waarderingsmethoden om zijn activiteit te meten alsook het gebruik van gestandariseerde preparaten, d.w.z. waar de antibacterische werking duidelijk omschreven is en zich in een serie van hetzelfde preparaat op hetzelfde niveau houdt. Het is hierbij duidelijk dat de nauwkeurige afhankelijkheid tussen de antibacterische activiteit in het laboratorium vastgesteld (in vitro) en deze geobserveerd in de praktijk van de genezing (in vivo) m.b.t. wel bepaalde micro-organismen, niet altijd optreedt. In de regel verkrijgt men bij de in vitro onderzoeken algemene gegevens over de gevoeligheid van de micro-organismen op propolisextracten. Deze gegevens, alhoewel zeer waardevol en onontbeerlijk, volstaan echter niet om uiteindelijke klinische besluiten te trekken. Enkel voorklinische en vervolgens klinische observaties van de genezingseffecten bij nauwkeurig omschreven infecties bij mens en dier, bij het gebruik van propolisextracten kunnen een grondslag vormen om de propolis als een genezende substantie te herkennen.
Bron: Prof. Dr. Zdislaw Glinski