Logo konvib-312

Redactioneel oktober 2017

Het gaat slecht met de bijen. Ze gaan met duizenden dood. Dat staat in mijn krant en ook mijn buurman die om een potje honing komt, bevestigt het met veel omhaal en kennis van zaken. Ze hebben erover gesproken op de radio, en op tv heeft een geleerde professor gezegd dat afgelopen winter 30% van de bijenvolken gestorven is.
Daar moet dus iets aan gedaan worden. En daarom gaat mijn buurman ook bijen houden. De vriend van zijn zus en ook nog een andere natuurminnaar zullen er ook aan beginnen. Ze gaan cursus volgen. Vol enthousiasme.
De voorzitter en de penningmeester van de plaatselijke bijenbond wrijven zich in de handen. Een hele zwerm nieuwe leden. Hoe meer volk, hoe meer nering en tering. We gunnen het iedereen: nonkel Bob, Jommeke en Annemieke mogen gerust bijen houden, we ontvangen hen met open armen. En als ze heel jong en lief zijn, krijgen ze een kus van de voorzitter.
Iedereen wordt dus imker. In elke straat, in bijna elke tuin staat een bijenkast, in alle kleuren, vormen en rassen. Maar misschien staat er hier en daar wel eentje te veel. Bijen moeten ook voedsel vinden: stuifmeel en nectar. En daarvoor moet je bloemen hebben, heel veel bloemen. Van in de vroege lente tot in de late herfst.
De laatste jaren worden er veel goedbedoelde acties georganiseerd: plantendagen, uitdelen van bloemenzaden, boompjes en struiken, inzaaien van akkerranden, en nog zoveel meer … Maar het gaat allemaal wat moeizaam en veel initiatieven blijven steken in vage beloften. Met veel goede intenties hebben heel wat steden en dorpen het embleem ‘Bijenvriendelijke gemeente’ gekregen en veilig in de archieven opgeborgen. En daarmee lijkt alles volbracht.
Aan de plaatselijke bonden om op de deur te blijven kloppen en de vele mooie woorden en zeemzoete beloften te actualiseren

Dirk Desmadryl